Tijdens de jaarlijkse Jan Troost-lezing stond dit jaar één vraag centraal: hoe zorgen we voor een samenleving waarin mensen met een beperking vanzelfsprekend mee kunnen doen? Rijdende rechter Iris Crombeen en directeur van Ieder(in) Deborah Lauria bespraken de rol van systemen, beleid en toegankelijkheid. De boodschap was duidelijk: het probleem zit vaak niet bij mensen, maar bij hoe we onze samenleving hebben ingericht.
Twee personen zitten aan een tafel op een podium tijdens een panelgesprek. Op de tafel staan een glas water en papieren. Op de achtergrond is een projectiescherm te zien in een zaalsetting.

Iris Crombeen, rechter:  

Dezelfde persoon, andere behandeling 

Iris legde uit hoe verschillend mensen naar haar kijken. Dit is afhankelijk van de situatie waarin zij zich bevindt. In haar werk wordt zij gezien als rechter, met gezag en verantwoordelijkheid. In andere situaties wordt zij vooral gezien als iemand met een beperking. 

“In toga is mijn rolstoel geen onderwerp,” zei zij. “In de zorg is dit vaak het vertrekpunt.” 

Met dit voorbeeld maakte ze duidelijk hoe snel de blik verandert. Volgens haar past dit bij systemen die mensen indelen in categorieën. Denk aan zelfstandig of zorgafhankelijk. Maar mensen passen niet in één hokje. Ze zijn vaak meerdere dingen tegelijk

Een opvallende tegenstrijdigheid 

Ze wees ook op een opvallende tegenstrijdigheid. In het dagelijks leven moeten mensen met een beperking bewijzen dat zij mee kunnen doen. Maar zodra zij ondersteuning nodig hebben, moeten zij juist laten zien hoe beperkt zij zijn. 

“Ik moet bewijzen dat ik het red, en tegelijk bewijzen dat ik het niet red. Precies slecht genoeg.” 

Volgens haar is dit geen toeval, maar onderdeel van het systeem. Dat kost veel energie en raakt aan iets fundamenteels: waardigheid. Het dwingt mensen om zichzelf steeds opnieuw te beoordelen en aan te passen. Dit is afhankelijk van het loket waar zij staan. 

Menselijkheid als kracht 

Ze verbond dit aan haar werk als rechter. Recht doen betekent voor haar niet dat je afstand houdt, maar dat je begrijpt wat een besluit betekent voor het leven van mensen. Menselijkheid is daarbij geen zwakte, maar een noodzaak. 

“Het is belangrijk dat mensen zich gezien en gehoord voelen.” 

Ze gaf zo een nieuwe betekenis aan het bekende beeld van de ‘rijdende rechter’: een professional die niet alleen regels toepast, maar ook oog heeft voor de gevolgen in het dagelijks leven. 

Deborah Lauria, directeur Ieder(in):  

Van persoonlijke ervaring naar systeemverandering 

Deborah Lauria bouwde voort op het verhaal van Iris Crombeen. Ze plaatste dit duidelijk in een bredere maatschappelijke context. Wat Iris Crombeen beschreef, is volgens haar geen uitzondering. Het is het gevolg van hoe we onze samenleving hebben ingericht. 

“Het probleem zit niet bij mensen,” zei zij, “maar in systemen die mensen kleiner maken.” 

Ze richtte zich vooral op toegankelijkheid. In Nederland is toegankelijkheid vaak nog geen vast uitgangspunt, maar iets wat achteraf moet worden geregeld. Dat betekent extra formulieren, aparte aanvragen en steeds opnieuw uitleggen. 

“We hebben drempelloze oplossingen,” zei ze, “maar nog geen inclusieve standaard.” 

Zolang toegankelijkheid iets blijft wat je moet aanvragen en bewijzen, blijft meedoen onzeker. Dan hangt gelijke behandeling af van regels en procedures, in plaats van vanzelfsprekendheid. 

Echte verandering begint vroeg 

Volgens haar begint echte verandering eerder. Niet pas bij loketten of wetgeving, maar bij hoe we samenleven en samen opgroeien. Kinderen met en zonder beperking zouden vanzelfsprekend samen moeten leren, spelen en reizen. 

“Dan wordt toegankelijkheid normaal. Niet iets extra’s.” 

Als kinderen elkaar van jongs af aan ontmoeten, groeit begrip vanzelf. Dan wordt er anders nagedacht over scholen, gebouwen en formulieren. Niet achteraf repareren, maar vanaf het begin goed ontwerpen. 

Dat vraagt volgens haar om keuzes van de politiek. Maar ook om een andere blik van scholen, werkgevers, gemeenten en professionals. Toegankelijkheid begint niet bij de vraag is het nodig? Maar bij voor wie maken we dit? 

In de geest van Jan Troost 

De lezing stond volledig in het teken van Jan Troost. Hij zag scherp dat ongelijke behandeling niet ontstaat door mensen, maar door systemen. Hij geloofde niet in medelijden, maar in rechten. Niet in uitzonderingen, maar in gelijkwaardigheid. 

Zijn overtuiging klonk door in alle bijdragen: als je het goed regelt voor mensen met een beperking, heb je het goed geregeld voor iedereen. 

Met de Jan Troost-lezing willen Ieder(in) en de familie Troost blijven aanzetten tot verandering. Niet door toegankelijkheid steeds achteraf te herstellen, maar door meedoen vanaf het begin vanzelfsprekend te maken. 

 

Over de Jan  Troost-lezing

Jan Troost overleed op 16 mei 2023. Hij was het boegbeeld van de patiënten- en gehandicaptenbeweging. Een strijder van het eerste uur. Hij was en is een grote inspiratiebron voor iedereen die opkomt voor de belangen van mensen met een beperking of chronische ziekte.

Om de nagedachtenis van Jan Troost levend te houden, riep Ieder(in), in overleg met Jan en zijn familie, de jaarlijkse Jan Troost-lezing in het leven.

In memoriam Jan Troost

 

Deel dit bericht

Meer nieuws over