Hoe schrijf je over iemand met een beperking? Bij Ieder(in) krijgen we die vraag regelmatig. Inclusieve taal gebruiken is niet altijd makkelijk. Er zijn geen keiharde regels. Toch is het goed om je woorden te wegen. Want discriminatie zit soms verstopt in onze taal, zonder dat we het door hebben.
Schrijf toegankelijk, gebruik eenvoudige taal
Ongeveer 2,5 miljoen Nederlanders hebben moeite met lezen. Ook bij theoretisch opgeleide mensen blijft eenvoudige taal beter ‘plakken’. Kies dus voor duidelijke woorden die iedereen kan begrijpen.
Andere tips om je tekst beter leesbaar te maken:
- Houd zinnen en alinea’s kort.
- Schrijf in de actieve in plaats van de passieve vorm.
- Gebruik koppen, subkoppen en opsommingstekens om je tekst te structureren.
- Vermijd afkortingen, tenzij ze algemeen bekend zijn. Als je ze gebruikt, leg ze dan uit bij de eerste vermelding.
- Wees consistent in je woordkeuze en stijl.

Met welke woorden schrijf je over beperking en ziekte?
Discriminatie of stigmatisering op basis van beperking noemen we ook wel ‘validisme’. Xan Koster, beleidsmedewerker bij Ieder(in), verdiepte zich hierin. Hieronder delen we diens tips om zo inclusief mogelijk te schrijven.
Beperking benoemen
Wanneer het relevant is kun je schrijven over iemands beperking, handicap of ziekte.
Specifieker kun je zeggen: ‘een fysieke beperking’, ‘een verstandelijke beperking’ en ‘een psychische kwetsbaarheid’.
De persoon voorop
Je laat zien dat iemand niet zijn beperking is door diegene eerst als persoon te beschrijven.
Schrijf: ‘Mensen met een beperking’, ‘een persoon met een handicap’, ‘iemand met een chronische ziekte’. En liever niet: ‘gehandicapte’ of ‘chronisch zieke’.
Een kenmerk, geen identiteit
Het hebben van een beperking of ziekte is geen spannend verhaal. En mensen met een beperking of ziekte zijn geen slachtoffers of helden.
Maak bij beperkingen of ziektes gebruik van het woord ‘heeft’. In plaats van de werkwoorden ‘lijdt’ of ‘strijdt tegen’ of ‘heeft overwonnen’.
Beperking of handicap?
Er is discussie over het gebruik van de termen ‘beperking’ of ‘handicap’.
Bij Ieder(in) spreken we meestal van ‘beperking’, maar ‘handicap’ is niet verkeerd.
Neurodiversiteit
Je hoort steeds vaker het woord ‘neurodiversiteit’ als het gaat om mensen met een psychische kwetsbaarheid. Met dat woord zeg je dat bijvoorbeeld autisme, adhd en hoogbegaafdheid geen beperkingen zijn, maar dat je brein gewoon anders in elkaar zit.
Verouderd
Termen als ‘invalide’ en ‘mindervalide’ zijn sterk verouderd en worden als kwetsend ervaren. ‘Valide’ verwijst namelijk naar de waarde van iemand.
Validisme
Let ook op woorden of uitdrukkingen die validistisch zijn. Denk aan de uitspraak ‘Oost-Indisch doof’ of woorden als ‘achterlijk’, ‘idioot’ of ‘gestoord’.
Dit kan ook in subtielere uitdrukkingen zitten, bijvoorbeeld het gebruik van het woord ‘gek’, ‘ziek’ of ‘blinde vlekken’.
Meer weten over validistisch taalgebruik?
Lees het blog waarom je relschoppers geen idioten moet noemen.
Bij twijfel?
Vraag aan de mensen in kwestie hoe zij zichzelf of iets noemen.
Beperking en identiteit
Niet alle mensen met een beperking zijn blij met het gebruik van de aanduiding ‘beperking’. Zo zien sommige Doven (met hoofdletter D) hun doofheid niet als een beperking, maar als een eigen cultuur, met gebarentaal als taal, eigen omgangsvormen en een gemeenschappelijke geschiedenis.
Er is ook discussie over wanneer je iemand niet eerst als persoon hoeft te beschrijven. Sommige mensen zien hun beperking als zo’n belangrijk onderdeel van hun identiteit dat ze zich bijvoorbeeld liever ‘autist’, dan ‘een persoon met autisme’ noemen.
Voorstanders van ‘eerst de persoon benoemen’ willen benadrukken dat iemand een persoon is, ongeacht diens beperking. Voorstanders van ‘de identiteit benoemen’ vinden juist dat in hun geval de beperking een essentieel deel van hun identiteit is. De beperking en hun persoon uit elkaar halen, voelt als het niet genoeg waarderen van wat de beperking betekent voor wij zij zijn. Hun beperking hoeft van hen niet weggestopt te worden, maar mag gevierd worden. Het is niet nodig, vinden zij, om uit te leggen dat iemand die gehandicapt is ook een persoon is. Je zegt immers ook niet ‘een persoon met vrouwelijke kenmerken’ als je een vrouw bedoelt.
Omdat er onder mensen met een beperking verschillende opvattingen zijn, is het moeilijk om te weten welke term het beste is. Het is daarom het beste om betrokkenen zelf te vragen hoe zij aangesproken willen worden.

7 vragen voor inclusieve communicatie
Stel jezelf de volgende vragen om te checken hoe inclusief jouw communicatie is.
1. Hoe zou ik het vinden als zo over mij geschreven werd?
Zou je het niet prettig vinden als met bepaalde woorden over jou geschreven werd, zoals ‘kwetsbare mensen’? Gebruik ze dan ook niet voor mensen met een beperking.
2. Is het verhaal ‘zielig’?
Inleving helpt vooroordelen te verminderen. Verhalen in de media, verteld vanuit het perspectief van de persoon met een beperking, zijn daarom waardevol. Het gaat om verhalen die je door de ogen van die persoon laten kijken, zonder medelijden op te wekken. Ze mogen raken, maar duidelijk maken dat de persoon niet ‘zielig’ is, maar gewoon een mens zoals iedereen.
3. Is er sprake van ‘inspiratie-porno’?
Mensen met een beperking doen alledaagse dingen, zoals boodschappen doen, voor hun kinderen zorgen en op pad gaan. Dit moet niet als bijzonder of ‘inspirerend’ worden gepresenteerd. Activiste Stella Young noemde dit in haar Ted-talk ‘inspiratie-porno’. Het bevestigt het negatieve stigma dat we weinig van mensen met een beperking verwachten.
4. Laat het zien dat mensen met een beperking veelzijdig zijn, net als iedereen?
Laat zien dat mensen met een beperking net als iedereen meerdere rollen vervullen: werknemer, partner, ouder, vriend, en meer. Hun beperking speelt een rol, maar is niet het enige aspect van hun leven. Wees eerlijk over de beperking, maar benadruk vooral hun veelzijdigheid. Een beperking is niet iets om je voor te schamen, maar een onderdeel van menselijke diversiteit.
5. Worden er vriendschappen tussen mensen met en zonder beperking getoond?
Vriendschappen tussen mensen met en zonder beperking helpen vooroordelen te verminderen, een fenomeen dat ‘extended contact theory’ wordt genoemd. In media werkt dit ook: als een personage met wie je je identificeert vriendschap sluit met iemand over wie je vooroordelen hebt, kunnen die vooroordelen verminderen. Het laten zien van zulke vriendschappen is belangrijk, ook voor kinderen. Voorlezen uit boeken zoals ‘Jikke en Jurre’ van Yvette den Brok is daarom een aanrader voor ouders en docenten.
6. Zijn er mensen met verschillende beperkingen in beeld?
Toon in je communicatie verschillende mensen met een beperking. Dat sluit ook aan bij de werkelijkheid, want ongeveer 1 op de 10 mensen in Nederland heeft een beperking. Maak diversiteit zichtbaar, bijvoorbeeld door foto’s van mensen met verschillende beperkingen, achtergronden, huidskleuren, genders en identiteiten te gebruiken.
7. Hoe realistisch zijn de foto’s en personages?
Zorg dat afbeeldingen positief en realistisch zijn. Op veel stockfoto’s staan modellen zonder beperking die tijdelijk in een rolstoel zitten. Dat is voor veel mensen met een beperking een doorn in het oog. Gebruik rolstoelen die daadwerkelijk door rolstoelgebruikers dagelijks worden gebruikt. Een beperking is geen kostuum voor mensen, maar een onderdeel van hun leven. Daarom is het aan te raden om gehandicapte personages in films en series te laten spelen door gehandicapte auteurs.
Tips voor overige woorden
Gebarentolk: gebruik ‘gebarentolk’ in plaats van ’doventolk’.
De term ‘gebarentolk’ dekt de lading van verschillende tolkvarianten: een Tolk Nederlandse Gebarentaal (NGT), een Tolk Nederlands met Gebaren (NmG), een tolk vierhandengebaren en een dove tolk.
Rolstoel: het is ‘rolstoelgebruiker’ in plaats van ‘rolstoeler’ of ‘rolstoelrijder’, al blijft leidend hoe iemand zichzelf identificeert.
Let op: iemand met een beperking is niet zijn of haar hulpmiddel. Gebruik een woord als rolstoelgebruiker alleen als het relevant is in de context.
Plus één: Ga er niet van uit dat een ‘plus één’ altijd een ‘begeleider’ of ‘ondersteuner’ is. Iemand met een beperking kan ook iemand voor de gezelligheid meenemen. Eventueel kan deze plus één de persoon met een beperking assisteren.
Geen aandoening: Vermijd de term ‘aandoening’. Dat impliceert alsof je iets is ‘aangedaan’.
Niet Cliënt: Spreek liever niet over ‘de cliënt’. Dat ontmenselijkt en benadrukt dat iemand afhankelijk is van een zorgaanbieder.
